Wat gebeurt er tijdens de conservering?

Inhoudsopgave

Wat is de invloed van zuurstof op conservering?

Zuurstof is de belangrijkste oorzaak van broei en voederwaardeverlies in kuilvoer. Zodra zuurstof aanwezig is, worden gisten actief die suikers en melkzuur afbreken, wat leidt tot warmteontwikkeling en pH-stijging. Dat noemen we broei.

Waar komt zuurstof binnen?

  • Tijdens inkuilen: door onvoldoende verdichting
  • Tijdens opslag: door gaten in de afdekking of slecht afgesloten randen
  • Tijdens uitkuilen: via het snijvlak

De eerste 24 tot 48 uur na inkuilen zijn cruciaal. Hoe sneller zuurstof verdwijnt, hoe sneller de verzuring start en hoe minder kans ongewenste micro-organismen krijgen.

Bij zuurstoftoetreding worden suikers en andere nutriënten aerobe afgebroken en omgezet in warmte. Bovendien wordt melkzuur afgebroken waardoor de pH stijgt, wat schimmels extra kans geeft om zich te ontwikkelen en mycotoxinen te vormen.

Wat is de invloed van zuurstof?

Direct antwoord: zuurstof is de “aan-knop” voor broei: zodra zuurstof de kuil binnenkomt, krijgen gisten zich de kans om te ontwikkelen. Die produceren warmte en zetten suikers om in warmte, maar ze kunnen dat alleen doen wanneer er zuurstof aanwezig is. De eerste uren na inkuilen zijn cruciaal: hoe sneller zuurstof verdwijnt, hoe sneller de verzuring start en hoe minder kans ongewenste micro-organismen krijgen.

Waar komt zuurstof binnen?

  • Tijdens inkuilen: door onvoldoende verdichting
  • Tijdens opslag: door beschadigde folie, slecht afgesloten randen of een niet goed aansluitende afdekking. 
  • Tijdens uitkuilen: via het snijvlak, zeker bij los trekken/happen en lage voersnelheid. 

Hoe voorkom je broei?

Direct antwoord: je voorkomt broei door zuurstof buiten de kuil te houden (verdichten + luchtdicht afsluiten) én door na openen zuurstofinslag aan het snijvlak te beperken (strak snijvlak, voldoende voersnelheid). 

Stappenplan: broei voorkomen bij inkuilen (sleufsilo of rijkuil)

  1. Plan op voersnelheid: maak de kuil niet “te breed/te hoog” voor je afname (zeker in warm weer). Stuur aan op minimaal 2 meter per week voersnelheid. Houd er rekening mee dat je voersnelheid daalt, wanneer je de koeien gaat beweiden. 
  2. Werk met passend DS-gehalte (zie DS-tabel verderop). Te nat of te droog maakt het lastiger stabiel te conserveren. 
  3. Zorg voor een goede aanvoersnelheid: houd aan als vuistregel dat je de helft van de aanvoersnelheid per uur aan gewicht op de kuil hebt voor het aanrijden. Dus als je 40 ton aanvoer product per uur hebt, dan 20 ton op de kuil. 
  4. Verdicht consequent: zwakke plekken zoals de randen worden later broeiplekken. 
  5. Vermijd het rijden in sporen: Vaak ontstaan naast de randen sporen, doordat net naast de rand extra is aangereden. Maar daardoor is het oppervlakte niet egaal en ontstaan er luchtzakken.
  6. Dek direct af zodra de kuil klaar is (niet “morgen”). Per uur dat de graskuil langer open ligt stijgen de drogestofverliezen met ongeveer 1,5%. 
  7. Sluit luchtdicht (onderfolie volledig over de kuil, naden/overlap en randen zorgvuldig, werk met wandplastic). 
  8. Werk hygiënisch, dat voorkomt besmetting wat broei en bederf een kickstart kan geven.
  9. Controleer en herstel schade aan afdekking.
  10. Voorkom inslag van regenwater. Regenwater verhoogt de pH-waarde. Gebruik wandfolie en zorg voor goede drainage in en rondom de sleufsilo.

Stappenplan: broei voorkomen bij uitkuilen en voeren

  1. Houd het snijvlak strak en glad: zo kan zuurstof minder diep binnendringen. 
  2. Trek zo weinig mogelijk los: frezen/blokkensnijden helpt compactie behouden. 
  3. Houd voldoende druk op het snijvlak: zorg ervoor dat druk over de gehele breedte van het snijvlak zit. Laat er geen gaten tussen.
  4. Voersnelheid als basisregel: minimaal 1,5 m/week, liever >2 m/week
  5. Voer “warm” of beschimmeld” materiaal niet: verwijder het en voer af. 
  6. Laat geen los kuilvoer voor het snijvlak liggen: dit worden broeihaarden.
  7. Werk hygiënisch: door schoon te werken, voorkom je dat je broei en bederf versnelt door middel van besmetting.
  8. Let op bij hitte: warme omstandigheden versnellen ontwikkeling van gisten/schimmels. 
  9. Voorkom inslag van regenwater.

Hoe helpt een afdeksysteem om broei te voorkomen?

Het Silage Safe afdeksysteem helpt je een deel van de risicofactoren aan te pakken: Je kan eenvoudig luchtdicht afdekken, het zorgt voor spanning op de zwakke plekken (randen), je werkt hygiënischer (geen banden of grond meer) en je voorkomt inslag van regenwater. Daarnaast kun je met het afdeksysteem lichter werken en sneller uitkuilen.

Belangrijk: geen enkel systeem is een wondermiddel; elke stap van het proces moet kloppen. 

Wat is het ideale droge stof gehalte bij inkuilen?

Direct antwoord: Voor graskuilen streef je naar 35-45% DS en voor snijmais mik je op 34-38% DS. Dit hangt wel samen met het gewas en de mate waarin je het kunt verdichten.

Richtwaarden DS 

Gewas

Bandbreedte die vaak als optimum wordt gebruikt

Waarom dit werkt

Gras/voordroog

35–45% DS

Goed aan te rijden en doorgaans stabieler te bewaren. 

Snijmaïs

34–38% DS

Goede bewaarkans en structuur/energie in balans bij goede techniek. 

Extra context: een DS tussen 30–50% wordt vaak gezien als “het meest conserveerbaar”; rond 40% wordt regelmatig genoemd als ideaal compromis. Een hoger percentage gaat alleen samen met fijner gehakseld product, zodat het product voldoende kan worden verdicht. 
Bij extreem laag of hoog DS wordt een stabiel conserveringsproces moeilijker. Houd er daarnaast rekening mee dat een langere veldperiode een verlies van voederwaarden veroorzaakt.

Wat gaat er mis bij te nat of te droog inkuilen?

Te nat (bijv. DS <30–35% bij gras) vergroot het risico dat de pH-daling te traag is, waardoor boterzuur kan ontstaan. Water heeft namelijk een pH-waarde van 7, waardoor het de daling van de zuurgraad vertraagd. 

Te droog (richting of boven 50% DS) maakt het in de praktijk lastiger om genoeg te verdichten; het product is dan vaak stengeliger, waardoor er meer zuurstof in het product blijft. Hierdoor is de verzuring trager en wordt de kuil gevoeliger voor broei.

Hoe lang moet kuilvoer fermenteren?

Direct antwoord: laat kuilvoer minstens 6 weken fermenteren voordat je gaat voeren, zodat (o.a.) meer azijnzuurvorming de kuil stabieler maakt en gisten/schimmels worden geremd. 

Waarom is “voldoende lang” zo belangrijk?

Wanneer de pH voldoende gedaalt is, remt dat de ongewenste micro-organismes en stabiliseert de kuil. Wordt de kuil te vroeg geopend, dan is de pH-waarde niet voldoende gedaald, dus is het product niet stabiel. Met toevoeging van zuurstof kunnen micro-organismes zich dan snel ontwikkelen en dus broei veroorzaken.

Waarom is schoon werken zo belangrijk?

Sporen van boterzuurbacteriën komen vaak uit grond en mest; in natte, eiwitrijke kuilen met (tijdelijk) hogere pH kunnen ze makkelijker problemen geven. In deze kuilen duurt het namelijk langer voordat de pH-waarde daalt, dus kunnen ze zich beter ontwikkelen. Dat is precies waarom schoon winnen, goed verdichten en snel luchtdicht afsluiten elkaar versterken. 

Daarnaast is het ook belangrijk om bij het uitkuilen schoon te werken: werk met schone machines, voorkom aanraking met grond, zorg voor drainage in de sleufsilo en laat geen losse kuil voor het snijvlak liggen. Elk van deze factoren kunnen namelijk besmettingsbronnen zijn die gisten, bacteriën en gisten met zich mee brengen en daardoor broei en bederf kunnen versnellen.

Wat kost slechte conservering in cijfers?

Bij een bedrijf met:

  • 1.000 ton kuilvoer
  • 40% DS → 400.000 kg DS

Dan betekent:

  • 10% verlies = 40.000 kg DS weg
  • Bij €0,25/kg DS = €10.000 verlies

Bij broei kan dit lokaal oplopen tot 20–30% verlies.

Checklist: voederwaarde beschermen bij inkuilen

  • Schoon product, minimale grond- en mestvervuiling: ruw-as is een waarde die ook “grond/zand” meeneemt; vervuiling werkt kwaliteitsproblemen in de hand. 
  • Schone sleufsilo en aanrijdroute: voorkomt ook ruw-as.
  • Snel lucht afdekken: zodat de kuil zo snel mogelijk kan verzuren en ongewenst micro-organismes geen kans krijgen zich te ontwikkelen.
  • Voorkom inslag van regenwater: regenwater verhoogt de pH-waarde en kan daardoor bederf versnellen

Zuurstof → broei → pH omhoog: de keten in één alinea

Bij luchttoetreding worden suikers en andere nutriënten aerobe afgebroken en omgezet in warmte; bovendien wordt melkzuur afgebroken waardoor pH stijgt, en dat geeft schimmels extra kans (mycotoxinenrisico). 

Richtwaarden pH (praktisch, interpretatiegericht)

Belangrijk: pH hangt samen met DS en type kuil; pH is daarom vooral een signaal, niet het enige oordeel. 

Kuiltype

pH die vaak past bij “goed geconserveerd”

Let op

Graskuil/voordroog

pH ≤ 5,2 wordt genoemd als “goed geconserveerd” (DS-afhankelijk). 

Te hoog kan voorkomen bij te droge kuil, en bij te natte kuilen; kijk ook naar broeigevoeligheid en zuren. 

Snijmaïskuil

pH 3,8–4,2 wordt vaak als “goede conservering” geïnterpreteerd. 

Hogere pH kan wijzen op te lang zuurstof aanwezig / mindere melkzuurvorming.