Home » Ruwvoer conserveren: complete gids voor melkveehouders » Wat gebeurt er tijdens de conservering?
Zuurstof is de belangrijkste oorzaak van broei en voederwaardeverlies in kuilvoer. Zodra zuurstof aanwezig is, worden gisten actief die suikers en melkzuur afbreken, wat leidt tot warmteontwikkeling en pH-stijging. Dat noemen we broei.
De eerste 24 tot 48 uur na inkuilen zijn cruciaal. Hoe sneller zuurstof verdwijnt, hoe sneller de verzuring start en hoe minder kans ongewenste micro-organismen krijgen.
Bij zuurstoftoetreding worden suikers en andere nutriënten aerobe afgebroken en omgezet in warmte. Bovendien wordt melkzuur afgebroken waardoor de pH stijgt, wat schimmels extra kans geeft om zich te ontwikkelen en mycotoxinen te vormen.
Direct antwoord: zuurstof is de “aan-knop” voor broei: zodra zuurstof de kuil binnenkomt, krijgen gisten zich de kans om te ontwikkelen. Die produceren warmte en zetten suikers om in warmte, maar ze kunnen dat alleen doen wanneer er zuurstof aanwezig is. De eerste uren na inkuilen zijn cruciaal: hoe sneller zuurstof verdwijnt, hoe sneller de verzuring start en hoe minder kans ongewenste micro-organismen krijgen.
Direct antwoord: je voorkomt broei door zuurstof buiten de kuil te houden (verdichten + luchtdicht afsluiten) én door na openen zuurstofinslag aan het snijvlak te beperken (strak snijvlak, voldoende voersnelheid).
Het Silage Safe afdeksysteem helpt je een deel van de risicofactoren aan te pakken: Je kan eenvoudig luchtdicht afdekken, het zorgt voor spanning op de zwakke plekken (randen), je werkt hygiënischer (geen banden of grond meer) en je voorkomt inslag van regenwater. Daarnaast kun je met het afdeksysteem lichter werken en sneller uitkuilen.
Belangrijk: geen enkel systeem is een wondermiddel; elke stap van het proces moet kloppen.
Direct antwoord: Voor graskuilen streef je naar 35-45% DS en voor snijmais mik je op 34-38% DS. Dit hangt wel samen met het gewas en de mate waarin je het kunt verdichten.
Gewas | Bandbreedte die vaak als optimum wordt gebruikt | Waarom dit werkt |
Gras/voordroog | 35–45% DS | Goed aan te rijden en doorgaans stabieler te bewaren. |
Snijmaïs | 34–38% DS | Goede bewaarkans en structuur/energie in balans bij goede techniek. |
Extra context: een DS tussen 30–50% wordt vaak gezien als “het meest conserveerbaar”; rond 40% wordt regelmatig genoemd als ideaal compromis. Een hoger percentage gaat alleen samen met fijner gehakseld product, zodat het product voldoende kan worden verdicht.
Bij extreem laag of hoog DS wordt een stabiel conserveringsproces moeilijker. Houd er daarnaast rekening mee dat een langere veldperiode een verlies van voederwaarden veroorzaakt.
Te nat (bijv. DS <30–35% bij gras) vergroot het risico dat de pH-daling te traag is, waardoor boterzuur kan ontstaan. Water heeft namelijk een pH-waarde van 7, waardoor het de daling van de zuurgraad vertraagd.
Te droog (richting of boven 50% DS) maakt het in de praktijk lastiger om genoeg te verdichten; het product is dan vaak stengeliger, waardoor er meer zuurstof in het product blijft. Hierdoor is de verzuring trager en wordt de kuil gevoeliger voor broei.
Direct antwoord: laat kuilvoer minstens 6 weken fermenteren voordat je gaat voeren, zodat (o.a.) meer azijnzuurvorming de kuil stabieler maakt en gisten/schimmels worden geremd.
Waarom is “voldoende lang” zo belangrijk?
Wanneer de pH voldoende gedaalt is, remt dat de ongewenste micro-organismes en stabiliseert de kuil. Wordt de kuil te vroeg geopend, dan is de pH-waarde niet voldoende gedaald, dus is het product niet stabiel. Met toevoeging van zuurstof kunnen micro-organismes zich dan snel ontwikkelen en dus broei veroorzaken.
Sporen van boterzuurbacteriën komen vaak uit grond en mest; in natte, eiwitrijke kuilen met (tijdelijk) hogere pH kunnen ze makkelijker problemen geven. In deze kuilen duurt het namelijk langer voordat de pH-waarde daalt, dus kunnen ze zich beter ontwikkelen. Dat is precies waarom schoon winnen, goed verdichten en snel luchtdicht afsluiten elkaar versterken.
Daarnaast is het ook belangrijk om bij het uitkuilen schoon te werken: werk met schone machines, voorkom aanraking met grond, zorg voor drainage in de sleufsilo en laat geen losse kuil voor het snijvlak liggen. Elk van deze factoren kunnen namelijk besmettingsbronnen zijn die gisten, bacteriën en gisten met zich mee brengen en daardoor broei en bederf kunnen versnellen.
Bij een bedrijf met:
Dan betekent:
Bij broei kan dit lokaal oplopen tot 20–30% verlies.
Bij luchttoetreding worden suikers en andere nutriënten aerobe afgebroken en omgezet in warmte; bovendien wordt melkzuur afgebroken waardoor pH stijgt, en dat geeft schimmels extra kans (mycotoxinenrisico).
Belangrijk: pH hangt samen met DS en type kuil; pH is daarom vooral een signaal, niet het enige oordeel.
Kuiltype | pH die vaak past bij “goed geconserveerd” | Let op |
Graskuil/voordroog | pH ≤ 5,2 wordt genoemd als “goed geconserveerd” (DS-afhankelijk). | Te hoog kan voorkomen bij te droge kuil, en bij te natte kuilen; kijk ook naar broeigevoeligheid en zuren. |
Snijmaïskuil | pH 3,8–4,2 wordt vaak als “goede conservering” geïnterpreteerd. | Hogere pH kan wijzen op te lang zuurstof aanwezig / mindere melkzuurvorming. |
For at give de bedste oplevelser bruger vi og vores partnere teknologier som cookies til at gemme og/eller få adgang til enhedsoplysninger. Hvis du giver samtykke til disse teknologier, kan vi og vores partnere behandle personoplysninger som f.eks. browseradfærd eller unikke ID'er på dette websted og vise (ikke-)personlige annoncer. Hvis du ikke giver samtykke eller trækker dit samtykke tilbage, kan det påvirke visse funktioner negativt.
Klik herunder for samtykke til ovenstående eller vælge delvist samtykke. Dine valg vil kun blive anvendt på dette websted. Du kan ændre dine indstillinger når som helst, herunder også tilbagekalde dit samtykke, ved at bruge knapperne i Cookie Politikken, eller ved at klikke på 'Administrer indstillinger' knappen i bunden af skærmen.
